Het weekend is altijd een beetje thuiskomen, letterlijk dan. Uit verveling bakte ik vandaag muffins. U kent ze wel, die lekkere, smeuïge cakejes die in elke zichzelf respecterende koffiebar verkocht worden. En uiteraard bakte ik ze op Engelse wijze, met een receptenboekje dat ik lang geleden eens kocht. Ik besloot maar te gaan bakken, gezien ik deze ochtend schandelijk vroeg op hardhandige wijze door mijn vader werd gewekt. Ik had toch niets beters te doen. Muffins bakken dus, en verorberen bij een bakje koffie. Koffiepauze is bij ons een vast ritueel geworden. Elke zaterdag en zondag omstreeks 15 uur. Koffie met taart en nietszeggende gesprekken.
“ Je hebt je tanden niet in”, zei ik tegen mijn moeder. Ze sloot snel haar mond en glimlachte ongemakkelijk. Ze ziet er niet uit zonder tanden, maar toch doet ze ze steeds uit. Nu moet je weten dat ze net haar voorste tand kwijt is. Een gapende leegte leek me aan te staren als ze weer sprak. Ik wilde haar niet in verlegenheid brengen, maar mijn blik werd steeds naar het zwarte gat gezogen waar haar tand zou moeten staan. Ik keek naar buiten. Vader kuchte en lispelde om moeder te imiteren. Spreken kan ze ook niet al te best zonder tanden. “De muffins zijn lekker, geef er mij nog maar eentje, en een goeie dikke”, zei mijn obese vader nog. Ik schonk nog een kopje koffie uit en bediende mezelf en de rest van een tweede muffin.
Het zijn zo van die zaterdagen.